Australië is in de ban van een babywalvis die door zijn moeder is verlaten en helemaal alleen voor de kust zwemt. Als er niet snel een oplossing wordt gevonden zal het arme kleintje sterven, want hij moet zeker nog elf maanden worden gezoogd voordat hij op eigen benen kan staan.
Nou ja, met eigen vinnen kan zwemmen.
Elf maanden borstvoeding, konden moeders in Nederland dat maar geven. Nou, elf is wat veel, maar zes - zoals de gezondheidsraad het voorschrijft - zou fijn zijn. Het is alleen zo extreem moeilijk vol te houden!
Voor diegenen die het niet weten: ik ben moeder. Van inmiddels twee kinderen. En één van die twee krijgt borstvoeding.
Het grote voordeel van borstvoeding is dat het je kind beschermt tegen allerlei allergieën, verkoudheden en griepjes. En voor mij is het het mooiste intieme samenzijn dat ik ooit heb meegemaakt. Dat wil zeggen, het strijdt om de eerste plaats met dat andere intieme moment, dat moment waardoor ik nu die baby heb. Maar er kleeft ook een enorm nadeel aan borstvoeding: zodra je weer gaat werken moet je gaan kolven.
En dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Kolven is niet iets wat je eventjes doet. En je hebt er een afgezonderde plek voor nodig ook, want het is ook nog eens een tamelijk ongemakkelijk klusje.
Ik heb er een gruwelijke hekel aan, maar ik wil natuurlijk het beste voor mijn kind. En dus ga ik altijd van huis met laptop,- én kolftas.
Volgens mij hoort iedere werkgever een ruimte beschikbaar te stellen waar moeders kunnen kolven, maar bij mij is dat niet zo. Er is trouwens wel een rookruimte. Kennelijk is dat belangrijker.
En dus scharrel ik op de dagen die ik werk door het pand op zoek naar plekjes waar ik het ‘witte goud’, zoals het ook wel wordt genoemd, af te kolven. Dat is op de raarste plekken: een oud montagehok, een lege studio, de wc en zelfs de kamer van het afdelingshoofd (die op vakantie is). En als ik een dag op reportage moet, of een lang afspraak heb, beland ik op nog vreemdere plekken. De achterbank van een auto, op de wc in het vliegtuig, in de kroeg en ga zo maar door.
Maar gisteren was wel het dieptepunt uit mijn kolvende bestaan. Ik was bij de tandarts en zou daarna een andere afspraak hebben. Baby-lief zat op de crèche en dus zat er maar één ding op: vragen of ik op de praktijk mocht kolven. Arme tandarts, hij begreep er niets van. Maar uit beleefdheid liet hij me gebruik maken van zijn archiefruimte. Het leek me de perfecte plek, tot ik zag wat hij er had opgeslagen. Daar zat ik dan, met mijn kolfmachientje tussen honderden gebitten. En hoe langer ik er zat hoe meer ik het idee kreeg dat ze me massaal aan het uitlachen waren om mijn vreemde bezigheid.
Nog eventjes en dan is mijn kind een half jaar. Dan kan die rare kolf eindelijk de deur uit.