Kindonvriendelijke Dirk
Vrijdagavond, half acht. Niet bepaald de beste tijd om boodschappen te doen. En al helemaal niet met een baby van vier maanden die eigenlijk allang had moeten slapen. Toch duw ik vastberaden mijn Bugaboo met daarin een jengelende Donne de Dirk van den Broek binnen. Zo goed en zo kwaad als het kan probeer ik me een weg te banen tussen de gehaaste mensen. Ik voel me net een personage uit zo’n zenuwslopend computerspelletje. Ik zoek de uitgang, maar de vijand - een stoïcijns voor zich uit kijkende robot - kan overal opduiken en me dodelijk raken. Bij ieder schap, of het nu bij de luiers of de drank is, kan ik geraakt worden.Nu begrijp ik trouwens ook waarom ik vrijwel altijd stelletjes in de supermarkt zie als er een kinderwagen in het spel is. Een winkel,- en kinderwagen tegelijk duwen is namelijk even onmogelijk als rijden op twee fietsen. Maar ook met een mandje is het geen sinecure. Het hengsel van mijn mandje drukt pijnlijke striemen in mijn huid terwijl ik met mijn andere arm de wagen recht probeer te houden. Het mandje heeft gelukkig een voordeel: ik mag in de rij van de mandjeskassa en die is beduidend minder lang dan de rijen met tot de rand gevulde karren.
Ik sluit aan. Donne moppert steeds luidruchtiger. Als slakken schuifelen we allemaal steeds dichter naar de kassa. Donne is inmiddels gaan huilen. Ik stop een speen in haar mond, ze spuugt hem uit. Nog twee mensen voor me. Geduld MC, geduld. Adem in, adem uit. Met een opgelucht gevoel begin ik aan de laatste meter naar de kassa, maar dan bots ik opeens ergens tegenaan, plok.
Ik kijk naar de stalen reling rechts van me, zet de Bugaboo in zijn achteruit en probeer het opnieuw maar dan iets meer naar links. Nog een plok. Ook links zit een stalen reling. Ik trek de wagen weer naar achteren en probeer het opnieuw, maar weer gaat het mis. Twee meisjes achter me beginnen onrustig te schuifelen.
Dan zie ik het. De ijzeren poortjes van de mandjeskassa. Ze zijn expres heel smal gemaakt opdat er geen winkelwagens door kunnen. Anders zou het geen mandjeskassa zijn natuurlijk. Maar de pijnlijke consequentie is wel dat er dus ook geen kinderwagens door kunnen. In elk geval niet mijn hightech wagen.
Ik kan nog maar een ding doen: met mijn mandje in de rij van de karren gaan staan. Ik kijk om en zie een leger chagrijnige mensen naar me staren. Het is duidelijk dat niemand van hen zo ruimhartig zal zijn me voor te laten en dus zie ik geen andere optie het maar zelf te doen. Gelukkig heeft de Bugaboo ook voordelen. Zonder blikken of blozen – maar kokend van binnen – parkeer ik mijn wagen tussen de voorste mensen in de rij. Niemand zegt wat, maar ik voel ze oordelend denken.
Onderweg naar buiten prent ik de naam van de nep lachende supermarktmanager op de foto bij de ingang in mijn hoofd. Die heeft vast geen kinderen. Of zou hij bij de Albert Heijn winkelen?


