Vanmorgen belandde ik in alle vroegte bij de huisarts. Ik nam plaats in de wachtkamer en sloeg een oude Groene Amsterdammer open. Ik blijf het een vreselijke plek vinden, die wachtkamer. Bij hoestende en proestende mensen ben ik bang besmet te raken en bij de niet hoestende en proestende mensen zijn mijn zorgen nog groter.
Ik boog me over de Groene en probeerde uit alle macht de weeige, onheilspellende geur te negeren die in de kleine ruimte hing. Niemand lachte, iedereen keek gelaten voor zich uit. Een peuter huilde krokodillentranen op de schoot van zijn vader. Een oude dame speelde gedachteloos met een kinderspeeltje, een volwassen man zat in kleermakerszit de krant te lezen, een jong meisje plukte zenuwachtig aan de veters van haar gele gympen.
Na een kwartier werd mijn naam geroepen.
Een man van hooguit negenentwintig stelde zich aan mij voor als de dokter. Het was duidelijk dat hij nog in opleiding was, maar dat probeerde hij zo goed mogelijk te verdoezelen door overdreven serieus te spreken. "Goed, zegt u het maar, wat is de klacht mevrouw."
Ik trok mijn schoen uit en liet hem het knobbeltje op mijn hiel zien dat al maanden voor pijnlijke blaren zorgt.
De arts in opleiding keek, kneep wat in mijn hiel, mompelde iets wat ik niet verstond en zei toen: "Ja, dit is duidelijk, ik haal de dokter er even bij."
Duidelijk? De dokter erbij? Maar ik was toch al bij de dokter? Ik sprak mijn vertwijfeling niet uit en wachtte rustig tot mijn dokter de dokter had gehaald.
"Ah, mevrouw van den Berg, dat is lang geleden!" Mijn echte dokter lachte een brede glimlach en schudde mijn hand alsof we oude vrienden waren. Samen met de assistent dokter knielde hij om mijn hiel te bestuderen.
"Nou nou, 2 dokters voor 1 kwaaltje, wat een aandacht", zei ik grappend, waarop de echte dokter reageerde met: "Ja, mevrouw van den Berg, en we liggen nog aan uw voeten ook, wat wilt u nog meer!?"
Opeens herinnerde ik me die avond waarop ik mijn echte dokter in het Amsterdamse uitgaansleven tegen het lijf liep. Ik was uit eten en hij zat in hetzelfde restaurant. Ja, dokters moeten ook eten natuurlijk. Onze blikken kruisten, hij gaf me een vette knipoog en bij het verlaten van het restaurant wenste hij me nog een fijne avond.
Met zulke echte dokters ben je snel van je ongemakkelijke wachtkamergevoel verlost.